Dit is aflevering 16 van de reeks ‘Canon van de Ommer’, waarin Ommer en Ommenaren centraal staan. Het gaat om personen die op een of andere wijze veel hebben betekend voor de Ommer samenleving.
Herman Anthonius Wigbels in de reeks ‘Canon van de Ommer’.
Zie ook het album “16. Herman Anthonius Wigbels”, de verzamelplek voor alles over Herman Anthonius Wigbels.
De journalist Herman Wigbels is er één van. Hij heeft meer dan tien jaar in Ommen gewoond en een belangrijke bijdrage geleverd aan het schrijven van nieuws uit Ommen. Ook fotografeerde hij nieuwsfeiten. Zijn nagelaten werk zorgde ervoor dat een stukje geschiedenis voor de komende generaties bewaard is gebleven.
Geboren als Herman Antonius Wigbels op 6 juli 1918 in Lonneker als enig kind van Hendrik Gerard Wigbels en Berendina Willemina Kortink. Op 6 november 1943 trouwde hij met Cornelia Maria Lormans. Gedurende de periode 1947 – 1960 woonde Wigbels met zijn gezin in Ommen, waar hij in dienst was als journalist voor het Ommer Nieuwsblad en later het Sallands- Overijsselsch Dagblad. Daarnaast was hij in zijn vrije tijd ook nog eens actief voor het Ommer verenigingsleven, was voorzitter van Katholiek Ommen en schreef teksten voor toneelvoorstellingen.
Foto’s
Bijzondere van Herman Wigbels was dat hij als journalist niet alleen verslag met pen en schrijfmachine deed, maar ook als fotograaf voor de krant actief was. Hij maakte ter illustratie van zijn artikelen dus zelf ook de foto’s. En misschien in dit geval nog belangrijker: de foto’s zijn allemaal bewaard gebleven in een door hem zelf aangelegd fotoarchief. Zodoende kan nog steeds dankbaar gebruik gemaakt worden van de door hem gemaakte waardevolle foto’s waarop alle aspecten van het leven in de stad, dorp of het platteland goed tot hun recht komen. Het fotoarchief van Wigbels is in het bezit van de stichting OudOmmen.nl en voor iedereen toegankelijk via OudOmmen.nl en HermanWigbels.nl.
Krantenloopbaan
Herman Wigbels begon zijn krantenloopbaan in Enschede waar hij samen met Carel Enklaar “Het Centrum” runde, een kopblad van de Tijd-Maasbode. Vanwege de oorlog en de consequentie daarvan op zijn werk als journalist, verliet hij het redactielokaal van de Tijd-Maasbode want hij voelde niets voor een collaborateursbaantje bij een gelijkgeschakelde krant. Hij werd ambtenaar en belandde uiteindelijk op een Enschedees distributiekantoor waar hij samen met een andere collega (Adriaan Buter) de burgerij voorzag van bonkaarten. Stiekem staken zij van tijd tot tijd achterovergedrukte bonkaarten toe aan ondergedoken joden; een handeling die natuurlijk werd ontdekt; het einde van een ambtelijke loopbaan in Enschede, want Herman moest begin mei 1944 haastig onderduiken. Het ging drie weken goed, tot eind mei 1944 als de 25-jarige Herman Wigbels wordt opgepakt door de Gestapo. Via kamp Amersfoort komt hij uiteindelijk op het Duitse Waddeneiland Wangerooge terecht, om daar verplicht als Arbeitseinsatz-arbeider aan Hitlers Atlantikwall te werken.
Jan van Ommen
Na de oorlog volgt een sollicitatie als journalist bij drukkerij en uitgever Veldhuis in Ommen en met succes. Kantoor werd gehouden aan de Molenweg 4 tegenover hotel De Zon. In 1955 werd het kantoor verplaatst naar Brugstraat 17 (Bakoven). Uitgever G.J. Veldhuis, die ook een drukkerij had in Raalte, verkreeg de rechten van de weekkrant de Oprechte Ommer Courant en gaf de krant uit als Ommer Nieuwsblad. Als nieuws- en advertentieblad voor Ommen en omstreken verscheen deze krant twee keer per week, op woensdag en op zaterdag. Onder pseudoniem “Jan van Ommen” schreef Wigbels voor het Ommer Nieuwsblad prikkelende commentaren over het reilen en zeilen in Ommen waarin hij zijn mening niet onder stoelen of banken stak. Hij vulde de krant bijna helemaal in zijn eentje en hij doorkruiste daarvoor dagelijks het gebied te voet, met de bus en op de fiets. Dan ook was hij gekleed met op zijn overhemd een vlinderstrik. Van gemeenteraadsvergaderingen werd letterlijk verslag gedaan. Hij tikte de copy op kantoor of thuis uit en bracht het dan naar de drukkerij. Lees verder Canon van de Ommer Herman Anthonius Wigbels (16) →