Hoe in Ommen vroeger de brandweer geregeld was (4)

Van brand wil iedereen graag bespaard blijven. Als er dan brand is dan zijn onze spuitgasten meer dan welkom.

 Spuit I waar vroegere in Ommen brand mee bestreden werd.

Zie ook “deel 1”, “deel 2”, “deel 3” en voor meer foto’s het album “Brandweer”.

Vroeger werd de burgerij min of meer verplicht om bij brand actief te zijn. Dat varieerde van het bedienen van de brandspuit en het gieten van het water tot oppassers om te voorkomen dat niemand op de slang ging staan en spoelen en drogen van de slangen na de brand.

De allereerste brandspuiten waren handbediende zuigerpompen, holle cilinders met een zuiger erin. Ze werkten als een soort grote injectiespuit met een handvat of hefboom voor de bediening. Ze konden maar een kleine hoeveelheid water bevatten en moesten telkens vanuit een emmer worden gevuld. Jan van der Heyden en zijn broer Nicolaas hebben de brandspuit in 1672 verbeterd door er een ‘zuigpomp’ en lederen brandslangen aan toe te voegen. Het benodigde water kon nu direct uit een put, sloot, gracht of rivier opgezogen worden. De spuit, die eerder naar de brand werd gedragen, werd al snel voorzien van wielen, zowel om als een kar of getrokken te worden met paarden.

Spuit I en Spuit II
In 1827 besloot koning Willem I dat alle gemeenten brandspuiten en andere blusmiddelen moesten aanschaffen. Ommen was in het bezit van 2 brandspuiten: Spuit I, de brandspuit met drukbol die zorgt voor een gelijkmatige druk op de waterstraal. Vier mensen moesten met behulp van bomen pompen. Verder Spuit II, die telkens met een emmer gevuld moest worden. Zowel Spuit I als Spuit II zijn in het bezit van het Historisch Museum in Ommen.

De bestrijding van branden gebeurde van oudsher met emmertjes water die van hand tot hand werden doorgegeven. Een leren emmer behoorde dan ook tot de verplichte uitrusting van elk burger van Ommen. Het water kwam uit de Vecht of uit verschillende brandputten en -kolken. In Stad-Ommen was sprake van een 8-tal zogeheten publieke waterputten. Op het Vrijthof is een vroegere brandput gemarkeerd met een granieten deksel met daarop de tekst: “Brandput, anno 1860”. In 1872 kwam er nog een put bij. Alle waterputten werden aan het eind van de negentiende eeuw vervangen door stadspompen. Bij sommigen pompen bleef een waterreservoir voor brand. Op 22 juni 2026 werd een brandput bloot tijdens bouwwerkzaamheden aan de Middenstraat 22. De brandput verdween na een archeologische inventarisatie weer onder het zand. Lees verder Hoe in Ommen vroeger de brandweer geregeld was (4)

Hoe in Ommen vroeger de brandweer geregeld was (3)

Je kon erin trouwen, rouwen of als taxi gebruiken. Maar ook kon het gebruikt worden om de spuit van de brandweer er mee te vervoeren.

De auto voor deze motorbrandspuit deed in 1944 niet alleen dienst als brandweerauto, maar ook als rouwauto, ziekenauto en taxi.

Zie ook “deel 1”, “deel 2” en voor meer foto’s het album “Brandweer”.

Dat allemaal kon met een en dezelfde auto. Wat waren ze trots op hun brandspuit met dieselmotor. De brandspuiten stonden opgesteld in het brandspuitenhuisje dat gebouwd was tegen de muur van de Hervormde kerk op het Kerkplein. Bij brand kwam de (taxi) auto van garage Hurink snel voorgereden om de brandspuit aan te koppelen op weg naar de brand. Was het brandspuitenhuisje eerst te vinden aan de noordkant van de kerk. In 1848 werd de zuidkant van de kerk naast de consistoriekamer als betere locatie geschikt geacht. Later toen het opnieuw verbouwd moest worden en ook het platte dak vervangen moest worden door een aflopend dak stak de kerk daar een stokje voor. Het licht zou worden weggenomen uit het onderste gedeelte van een raam. Daarom werd toen op dezelfde plaats een nieuw huisje gebouwd met de deuren naar het zuiden. Tegelijk werden een 20-tal emmers aangeschaft. Het brandspuitenhuisje heeft dienstgedaan tot 1961, toen werd het afgebroken.

Instructie bij blussen van brand
In 1900 is een nieuwe “Instructie bij het blussen van brand” vastgesteld met een opperbrandmeester, 6 brandmeesters en zoveel manschappen als nodig waren, 3 pijpgasten, één zakkendrager en een bode. De manschappen kwamen onder bevel van de brandmeesters te staan. Deze laatste was kenbaar aan een stok, ringsgewijze geverfd met de kleuren rood en wit en voorzien van een knop, waarop de letters van de spuit waartoe zij behoorden. De anderen hadden als onderscheidingsteken een leren, zwartgelakte klep met een koord om de hals gedragen, voorzien van de letter van de spuit. Op 16 mei 1913 breekt brand uit bij B.J. Grootenhuis aan de Brugstraat met als gevolg een grote vuurzee. Omdat de brandweer het niet alleen aan kan wordt hulp ingeroepen van de brandweer van Dalfsen. Als men de brand ‘meester’ is zijn vijf huizen in de as gelegd. De geleende spuit wordt door vrachtrijder Steen met twee paarden teruggebracht naar Dalfsen. Er volgt nog een rekening van de wagenmaker die de spaken van de vier wielen van de Dalfser brandspuit heeft moeten vernieuwen. De burgers die zich hadden ingezet bij deze bluswerkzaamheden worden beloond met 10 cent per uur en wachthouders in de nacht krijgen 15 cent per uur. Een bijkomstigheid was nog dat opperbrandmeester Peter Oldeman drie dagen na de brand nog steeds hees was van het commanderen. Aangezien Oldeman tijdens de brand moeilijkheden kreeg met de marchaussee, die hem zijn bevoegdheden op het terrein van de brand betwistten, kreeg Oldeman voortaan een pet met het wapen van Ommen als teken van rang en bij een volgende brand daar geen onduidelijkheden meer over konden ontstaan.

Lees verder Hoe in Ommen vroeger de brandweer geregeld was (3)

Hoe in Ommen vroeger de brandweer geregeld was (2)

Brand was vroeger een ramp. Een brandverzekering was er nog niet. De stad had brandwachten en brandputten.

Handpomp die gevuld moest worden met emmers water. Deze handpomp uit circa 1800 bevindt zich in het Historisch Museum in Ommen.

Brand, brand
In 1730 was voor het verkrijgen van het burgerrecht van de stad Ommen behalve een flinke som geld ook een leren brandemmer voor de brandweer een verplichte bijdrage. In 1841 had de stad Ommen de beschikking over 2 brandspuiten, 20 emmers, 160 brandhaken en 50 bijlen.
Brand! Brand! Klinkt het uit verschillende monden op woensdag 8 augustus 1822 als Ommenaren vuurtongen boven hun stadje zien en witte rookpluimen. Ook Egbert Brinkman ontdekt vanaf zijn land iets buiten de kom van Ommen dat het niet pluis is en keert snel te voet naar huis, achterna gekomen door zijn vrouw en kinderen. Dicht op de plek des onheils ziet Brinkman tot grote ontsteltenis dat zijn huis in lichterlaaie staat. En niet alleen van hem maar ook belendende percelen staan in vuur en vlam. De huizen branden als een fakkel. Vuurheren treden regelend op bij pogingen de brand te blussen. De slang van de brandspuit is op de naburige brandkolk aangesloten en inwoners staan rij in rij om telkens de met water gevulde leren emmers op de vuurhaard te gooien. Iedereen doet wat hij of zij kan. Uit de gevaar lopende huizen worden goederen weggesleept. Maar het mag allemaal niet baten. Totaal gaan 30 huizen en twee schuren in vlammen op.

Lees verder Hoe in Ommen vroeger de brandweer geregeld was (2)

Hoe in Ommen vroeger de brandweer geregeld was (1)

De meeste huizen in Ommen waren vroeger van hout en voorzien van rieten- of strooien daken. Het gevaar voor brand was dan ook bijzonder groot.

 1913 – Grote brand in de Brugstraat, waarbij huizen in de as werden gelegd.

Zie voor meer foto’s het album “Brandweer”.

Het komt dan ook nog wel eens voor dat het stadje door brand wordt geteisterd. In 1517 kreeg Ommen ook met een grote brand te maken en werd bijna geheel in as gelegd. Er waren meerdere branden in de loop der tijd. Uit de Stadswillekeur blijkt dat een grote brand in 1624 Ommen bijna geheel verwoest. Om elf uur breekt brand uit en na een uur is Ommen in as verteerd vanaf de Heilige Geest (Gasthuis aan de tegenwoordig Gasthuisstraat) tot aan de Vecht. Niets blijft gespaard. Ook de kerk met het fraai gewelf en schoon interieur ontkomt niet aan de brand, zo meldt de Stadswillekeur.

Brandspuit
Om zich tegen branden te weren wordt door het Stadsbestuur eerst in 1743 besloten om een brandspuit aan te schaffen. Deze wordt geleverd door de koperslager Jan Steenbergen uit Deventer. De bediening van deze handspuit wordt opgedragen aan de burgerij. Ieder jaar werd een lijst vastgesteld voor de burgers waarin hun taak wordt omschreven bij voorkomende branden. De taken bij brand waren: “Lullemans”, “Watergieters in het net”, “Oppassers dat niemand op de slange treed” en “Pompers aan de brandspuit”. Was de brand meester dan waren de werkzaamheden: “Om de spuit te spoelen en de slang op het choor en spuit bij het spuitenhuisje te brengen” en tot slot ”Om de spuit in order te brengen en de slange te droogen”. Er werd streng op toegezien of iedereen zijn taak stipt uitvoerde. Ook worden verschillende voorschriften en bepalingen ingesteld om branden te voorkomen. Voor de handhaving worden “Vuurwagters” aangesteld ook wel “Vuuurheeren” of “Pijpenpasser” genoemd. Ze moeten erop toe zien dat dat niemand op onvoorzichtige wijze met vuur omgaat. Zo mag bijvoorbeeld niemand in de binnenstad vlas, hennep of andere brandende stoffen bij vuur of in ovens drogen. In kasten, spinden of dergelijke ruimten is het bewaren van vuur verboden. Ieder ingezetene moet thuis een ijshaak hebben van 16 voeten lang.

Roken verboden
Het is verboden om in de maanden mei, juni, juli en augustus des avonds na 9 uur en vóór zonsopgang op straten, stegen en wegen tabak roken. Ook het roken bij “winderig of vorstig weer, hetzij dat er water of geen water voor de deuren is” is taboe. Buitenshuis roken mag slechts op plekken waar geen brandend stof aanwezig is en als er dopje op de pijpenkop zit. De schoorstenen van de huizen worden regelmatig door de “Vuurwagters” gecontroleerd op gaten en scheuren. Iedereen is verplicht zijn schoorsteen elk jaar voor de maand mei te laten vegen. Lees verder Hoe in Ommen vroeger de brandweer geregeld was (1)

Oude brandput blootgelegd in centrum van Ommen

Archeologen hebben in Ommen een oude brandput blootgelegd.

Archeologen leggen de oude brandput bloot aan de Middenstraat in Ommen

Brandput
Het gaat om één van de 8 brandputten die Ommen vroeger had om met het water uit de put branden te blussen. De gemetselde put is twee meter diep en staat zichtbaar in het grondwater. Archeologen legden maandagmorgen aan de Middenstraat 22 de oude brandput voor even bloot, juist voordat hier de bouw van zes nieuwe woonappartementen begint. Na (fotografische) vastlegging verdween de brandput ’s middags weer onder het zand.

Leren brandemmer
Brand was vroeger een ramp. Een brandverzekering bestond nog niet. De stad Ommen had brandwachten en brandputten. In 1808 werden verdeeld over de kom van Ommen op een 8-tal plekken stadsputtten gegraven; onder andere op het Vrijthof, Middenstraat en Bermerstraat. Deze brandputten diende voor het nodige bluswater. Een slang in de put en dan maar pompen. Het water werd in een leren emmer naar de brand gedragen, waartoe men een lange rij van helpers opstelde, die de emmers van de een naar de andere doorgaven. In 1730 was voor het verkrijgen van het burgerrecht van de stad Ommen behalve een flinke som geld ook een leren brandemmer voor de brandweer een verplichte bijdrage.

Water
Bij brand werd eerder het bluswater uit de Vecht gepompt. De eerste brandpuit werd door de brandweer aangeschaft in 1743 en een tweede spuit 1822. De spuiten waren gestationeerd in een in 1807 tegen de muur van de hervormde kerk gebouwd brandspuithuisje. In 1827 werden de putten vervangen door pompen om de inwoners te voorzien van (drink)water.

Vuur en vlam
‘Brand!’, ‘Brand!’, klinkt het uit verschillende monden op woensdag 8 augustus 1822 als Ommenaren vuurtongen boven hun stadje zien en witte rookpluimen. Ook Egbert Brinkman ontdekt vanaf zijn land iets buiten de kom van Ommen dat het niet pluis is en keert snel te voet naar huis, achterna gekomen door zijn vrouw en kinderen. Dicht op de plek des onheils ziet Brinkman tot grote ontsteltenis dat zijn huis in lichterlaaie staat. En niet alleen van hem maar ook belendende percelen staan in vuur en vlam. De huizen branden als een fakkel. Vuurheren treden regelend op bij pogingen de brand te blussen. De slang van de brandspuit is op de naburige brandkolk aangesloten en inwoners staan rij in rij om telkens de met water gevulde leren emmers op de vuurhaard te gooien. Iedereen doet wat hij of zij kan. Uit de gevaar lopende huizen worden goederen weggesleept. Maar het mag allemaal niet baten. Totaal gaan 30 huizen en twee schuren in vlammen op.

In 1841 had de stad Ommen de beschikking over 2 brandspuiten, 20 emmers, 160 brandhaken en 50 bijlen.

De brandput aan de Middenstraat

Tekst en foto’s: Harry Woertink

Publiek maakt kennis met Ommerschans: nog veel zichtbare sporen van het Kolonieverleden te zien

OMMERSCHANS – Met de bedoeling om de mensen in de wijde regio kennis te laten maken met de Ommerschans werd zaterdag een zogeheten publieksmorgen gehouden.

Gids Henk Hiemstra (midden) wijst de wandelaars op de sporen van de kolonieperiode.

Kolonie
Belangstellenden konden aan de hand van een gids meewandelen en luisteren naar de historie van het gebied. Daarbij kon gekozen worden uit een natuur-, een landbouw- of een historische wandeling.
De Ommerschans is een historische plek gelegen ten noorden van de gemeente Ommen. Ooit gebouwd als verdedigingswerk in de 17e eeuw, later een bedelaarskolonie. Wie de Ommerschans nu bezoekt belandt in twee werelden: een wonderlijk open landschap en het gesloten beboste gebied bij de oude schans. Er zijn nog veel zichtbare sporen van het Kolonieverleden.

Landbouw
Het was generaal Johannes van den Bosch die voor de Maatschappij van Weldadigheid in 1822 de verlaten verdedigingsschans nieuw leven gaf. Hij wilde armoedige gezinnen na de Franse overheersing helpen. Van den Bosch liet een gesticht bouwen voor 1000 tot 2000 bedelaars. Bedelarij was strafbaar in Nederland en Van Den Bosch sloot een contract met de overheid om deze gestrafte bedelaars op te vangen. Rondom de schans verschenen 21 grote boerderijen waarop kolonisten te werk gesteld werden.
Melkveehouder Henk Hiemstra (71) geboren en getogen in de Ommerschans neemt via het uitgezette “Landbouwpad” de deelnemers mee buiten de ring van de schans. Het Landbouwpad voert langs de oude landbouwgronden van de voormalige kolonie. Je wandelt door verschillende landschappen: van open velden tot bosrijke gebieden.

Boekweit
“Het gebied is door de eeuwen heen is gevormd. De sporen van de kolonieperiode zijn nog steeds zichtbaar”, legt Hiemstra uit. “Kenmerkend voor de kolonie van Weldadigheid is de planmatige, rechthoekige verkaveling van de van oorsprong veenachtige moerasgronden. Generaal van den Bosch vormde het landschap en het landschap vormde de mensen”, aldus Hiemstra. “In de beginperiode werd en boekweit verbouwd om het land klaar te maken voor landbouw, zodat er later ook andere gewassen als aardappelen, rogge en groenten konden groeien. Daarnaast was boekweit vroeger dagelijkse kost in de kolonie. Van de zaadjes werd meel gemaakt voor pap, pannenkoeken of grutten”.

Zwaar werk
Kolonisten kregen dagelijks één karige warme maaltijd voorgeschoteld. De overige maaltijden moesten ze zelf verdienen. Voor het zware werk kregen ze wekelijks stukloon uitbetaald. Het maximum weekloon werd in de beginjaren vastgesteld op 1 gulden en 27 cent. Hiervan werd 91 cent ingehouden als kostgeld voor de dagelijkse warme maaltijd, kleding en huisvesting. De resterende 36 cent werd uitbetaald in de vorm van koloniemunten of winkelkaarten, die echter alleen in de koloniewinkel besteed kon worden.
‘Wie niet werkt, zal niet eten’, was in de begin jaren uitgangspunt van de straf- en bedelaarskolonie. Het werk op het land was loodzwaar, de verdiensten minimaal, het rantsoen gebrekkig en de medische voorzieningen allerbelabberdst. Lokale overheden stuurden massaal hun burgers die niet in staat waren om te werken en feitelijk arbeidsongeschikt waren naar de straf- en bedelaarskolonie. De bedelaarskolonie Ommerschans werd op die manier een vergaarbak van mensen die in de gewone maatschappij niet mee konden komen. De begraafplaats is een blijvende en nog zichtbare herinnering aan het harde leven van de kolonisten. In 1890 werd de bedelaarskolonie opgeheven.

Tekst/foto: Harry Woertink

Familiehotel Het Laar in 1904 vergaderplek voor Regt en Geschiedenis (2)

Het is 11 juni 1904 als “De Vereeniging tot beoefening van Overijselsch Regt en Geschiedenis” voor Ommen heeft uitgekozen als vergaderlocatie voor haar Zomervergadering.

 Gezicht op Ommen vanaf de Zwolse weg ca. 1904 met o.a. gemeentehuis, Hervormde kerk en molen Den Oordt.

Al sinds 1858 houdt deze Overijsselse historische vereniging zich bezig met de geschiedenis van Overijssel. Leden van de Vereeniging komen twee keer per jaar bijeen, op de Zomervergadering en Wintervergadering. Beide keren worden hiervoor bijzondere plekken in de provincie bezocht, gecombineerd met interessante lezingen. Dit keer dus Ommen waar het familiehotel Het Laar van de familie Lokin onderdak biedt. Uit de archieven het tweede deel van deze bijeenkomst en historische rijtoer.

Den Steilen Oever
`Eerst werd de weg opgereden richting Den Ham. Links passeerden wij hier den Besthmenerberg, het punt minder hoog dan de Lemelerberg, maar dat zich toch voor ’t oog als een forsche heuvel voordoet. Iets verder komt men aan de bosschen van Eerde. Het Huis Eerde zag men op eenigen afstand aan ’t eind der oprijlaan. Terugkeerende stegen wij uit bij het mooiste punt wellicht uit heel de omgeving: den Steilen Oever. Het riviertje de Regge stroomt tusschen den Lemeler- en den Besthemerberg. Wij zijn hier vrij hoog, circa 50 voet. Het dal van de Regge strekt zich voor ’t oog uit, rechts ziet men de buurtschap Klein Archem, links de bosschen van Eerde, daarachter die van het Huis Archem en aan den horizon den Lemelerberg. ’t Is een zeer mooi uitzicht. De rivier is zooals men weet verbeterd. Langs de nieuwe bedding ziet men de smalle, blauwe, levende streep; vlak langs den steilen oever is de oude bedding. Zij die Ommen of ’t Laar bezoeken en niet bang zijn voor een uurtje wandelen, moeten dit mooie punt in ’t oog houden. Wij keerden naar de rijtuigen terug om, na nog even terug te zijn gegaan, bij den tol den weg naar de richting Lemelerberg in te slaan. Spoedig kwamen wij bij „de Nieuwe Brug”, het historisch punt waarop de heer Hoefer de aandacht had gevestigd.

De brug is nog steeds „nieuw”. Zij is nu van ijzer opgetrokken en zal wel wat langer mee kunnen dan de vroegere. Het zijn nog altijd een paar eenvoudige herbergen, die men hier vindt. Vermoedelijk hebben de heeren Staten uit vroegeren tjjd hun eigen reiswagen of wel eenige tenten meegebracht, want de ruimte voor groote bijeenkomsten moest hier buiten de gebouwen worden gezocht. Daar de Lemelerberg te ver was voor den toer, keerden wij, na den mooien weg eenigen tijd te hebben vervolgd, terug. ’t Ging nu weer de spoorlijn over en bij Ommen vóór de brug linksom, boven langs het Laar en langs Ada’s hoeve naar de Laarmanshoek bij de brug over de Regge. Lees verder Familiehotel Het Laar in 1904 vergaderplek voor Regt en Geschiedenis (2)

Familiehotel Het Laar in 1904 vergaderplek voor Regt en Geschiedenis (1)

Het is 11 juni 1904 als “De Vereeniging tot beoefening van Overijselsch Regt en Geschiedenis” voor Ommen heeft uitgekozen als vergaderlocatie voor haar Zomervergadering.

 1904 – Huize Het Laar met Orangerie. Geheel rechts de woning van de beheerder Tokvoort.

Al sinds 1858 houdt deze Overijsselse historische vereniging zich bezig met de geschiedenis van Overijssel. Leden van de Vereeniging komen twee keer per jaar bijeen, op de Zomervergadering en Wintervergadering. Beide keren worden hiervoor bijzondere plekken in de provincie bezocht, gecombineerd met interessante lezingen. Dit keer dus Ommen waar het familiehotel Het Laar van de familie Lokin onderdak biedt. Uit de archieven een verslag van de vergadering van toen en de historische rijtoer.

Uit historisch oogpunt belangrijk
“In de laatste jaren viel vrijwel als regel de keus op Kampen, Deventer of een der grootere Twentsche plaatsen als het ging om de Zomervakantie. Men wilde nu eens beproeven of het niet mogelijk zou zijn in den zomer bijeen te komen ook op kleinere plaatsen, die zelf of wel wier omstreken uit historisch of oudheidkundig oogpunt belangrijk zijn. Nu de spoorlijn Zwolle – Ommen gereed was, kon men zonder groot bezwaar naar Ommen de schreden richten. Er waren een 20-tal leden aanwezig, een cijfer dat voor een proef bemoedigend mag heten. De samenkomst was belegd in ’t familiehotel het Laar, nabij ’t station Ommen, ’t welk bijzonder geschikt daartoe bleek te zijn. De voorzitter, mr. R. E. Hattink, opende kort na half elf de vergadering. Na mededeeling der namen van enkele leden, die de vereeniging door overlijden of bedanken had verloren, werden een viertal nieuwe leden benoemd: de heeren Mr. P. Wildervanck de Blécourt, griffier bij het kantongerecht te Ommen; F. E. baron Mulert, kapitein-luitenant ter zee te Hellevoetsluis; J. W. Doffegnies, burgemeester van Diepenveen en A. A. Beekman, leeraar aan de Hoogere Burgerschool te ’s-Gravenhage.

Stukje historie over Ommen
Het bezoek aan de gemeente Ommen en de voorgenomen rijtoer door de omstreken hadden den heer Hoefer aanleiding gegeven een en ander over de plaats en de omgeving bijeen te zamelen, om op deze wijze de samenkomst voor de leden nog meer vruchtdragend te maken. Wij kregen een stukje historie over Ommen als plaats. De naam komt ’t eerst voor in 1133 als geslachtsnaam, terwijl hij in 1227 als plaatsnaam en in 1319 als naam van het kerspel wordt aangetroffen. In 1248 kreeg Ommen van den Bisschop stadsrechten. De historie van Ommen is, zooals het met de meeste steden het geval is geweest, een aaneenschakeling van gevechten, brandschattingen, van rampen door ’t vuur of door stroopende benden veroorzaakt, van herstel door de energie van de ingezetenen of door de hulp van machtige bondgenooten. In 1332 werd het door de heer Van Voorst en Van Rechteren verbrand terwijl de overwinnaars zorgden, dat de wallen werden opgeruimd. In 1386 waren de vestingwerken hersteld. Lees verder Familiehotel Het Laar in 1904 vergaderplek voor Regt en Geschiedenis (1)

Gereformeerd en Hervormd Ommen samen verder

Voor Ommen een historisch feit: de Gereformeerde Kerk en de Hervormde Kerk gaan samen verder als één Protestantse gemeente.

1968. Hervormde Kerk.

PKN
Eerdere pogingen gedaan vóór de coronaperiode om tot een fusie te komen sneuvelden, maar nu is het zover dat beide kerken gaan fuseren. Vele kerken in den lande gingen Ommen reeds voor om zich aan te sluiten bij de landelijke Protestantse Kerk Nederland (PKN). “Na een intensief en waardevol proces van samen optrekken staan we als Gereformeerde Kerk en Hervormde Gemeente op het punt om samen verder te gaan als Protestantse Gemeente Ommen. Een bijzonder moment én een nieuw begin”, laten de besturen van beide kerken weten.

Lees verder Gereformeerd en Hervormd Ommen samen verder

Ommen – Vecht – Het Laar

Ten zuiden van Ommen centrum ligt de historische buitenplaats Het Laar.

1910. Van 1903 tot 1922 had Het Laar de bestemming van familiehotel Het Laar, geëxploiteerd door hotelier Johannes Lokin.

Het Laar
Sinds het eind van de zestiende eeuw is er al sprake van ‘Havezathe Laer’. Midden 1700 werd het huis verbouwd tot een gebouw in Franse stijl en een imposant park aangelegd met een lange oprijlaan. Ook werden prachtige beuken- en eikenlanen aangelegd. Het huis diende met name als jachtslot. Het Laar stond in de Besthmer Marke, die tot 1853 heeft bestaan. Dat de naam ‘Laer’ veranderde in Laar heeft te maken met de nieuwe Hollandse spelling. De correcte schrijfwijze is dan ook Het Laar; ook bij de Rijksdienst Cultureel Erfgoed is het landgoed geregistreerd onder de naam Het Laar.

Lees verder Ommen – Vecht – Het Laar