In de twintiger jaren van de vorige eeuw stond Ommen volop in de belangstelling.

Het kleine stadje aan de Vecht zou wellicht een geestelijk wereldstad gaan worden passend in het rijtje van Jeruzalem, Rome of Mekka. Hoe kan dat en werd het bewaarheid? Lees het in een serie van 3 verhalen over Ommen, Landgoed Eerde en de Orde van de Ster in het Oosten, opgetekend in 1926. Dit is deel 1.
Belangwekkende geschiedenis
Er is wellicht geen plaats in ons land, die gedurende deze zomer (1926) zo dikwijls en misschien mag ik zeggen, met zoveel geïntrigeerde belangstelling over Nederlandsche lippen is gekomen, als Ommen. Dit vriendelijke doch vrij onbetekenende stadje, gelegen aan de rechteroever van het riviertje de Vecht, tussen Zwolle en onze oostelijke grens, is plotseling bij een groot aantal landgenoten in het brandpunt der belangstelling komen te staan. Het kan wonderlijk lopen. Overigens is het plaatsje niet gehéél zonder betekenis; het heeft namelijk een belangwekkende geschiedenis. Sommige schrijvers van de middeleeuwen sprekend, plaatsen het gradueel na Zwolle, Deventer en Kampen. Gesticht door de domheren van Utrecht, welke voor legerdoeleinden een zo geheten veerstal aan de Vecht lieten zetten, waarna niet minder dan een Bisschopshof en een kerk volgden — deze laatste in de 12e eeuw— heeft het plaatsje Ommen of Ummen, in de 13e eeuw tot stad verheven, door bisschop Otto III, eeuwen lang als het ware in de knel gezeten tussen de voortdurend twistende partijen der Utrechtse bisschoppen enerzijds en anderzijds de vele oproerige vazallen van dezen streek en elders, de heren van Eerde (van Essen) van Rechteren, Coevorden, Voorst, Gelder enzovoorts.
Lees verder Ommen in het brandpunt van de belangstelling (1)







