De strategische ligging was een belangrijke reden voor de bisschop van Utrecht Otto III om Ommen in 1248 stadsrecht te verlenen.

Samen met Zwolle en Hardenberg vormde Ommen namelijk een versterkte plaats tegen de Drenthen, die in opstand waren geweest. De stad Ommen is omringd geweest met muren, wallen en poorten. Buiten de wallen was om de stad een gracht gegraven, die in verbinding stond met de Vecht. Aangenomen wordt dat het ging om houten vesten en omheiningen. De eerste schermutseling waar de stad Ommen mee te maken kreeg was op 9 mei 1330 als een troepenmacht Ommen binnenvalt. De heren van Rechteren en van Voorst voerden een oorlog tegen Bisschop Jan van Diest, waarbij Ommen het middelpunt van het krijgsrumoer werd. Huizen werden in brand gestoken en allen vesten en muren met de grond gelijkgemaakt. Het ontbrak de Bisschop aan geld om de muren weer te laten opbouwen, want de stad bleef jarenlang ontmanteld. Wel hielden de stadsrechten gestand.
Muren van de stad als beveiliging
De stadspoorten en stadsmuren kwamen toch weer terug. Het wonen tussen de muren van een stad bood aan de inwoners een zekere bescherming tegenover de gevaren van het platteland. Aan die voordelen werden wel bepaalde eisen gesteld waaraan men moest voldoen om een “Borger” van Ommen te kunnen worden. Behalve een vergoeding in natura of geld moest de borger van Ommen diensten verlenen voor de stad, zoals nachtwacht en vuurwacht. Naast bescherming mocht een borger handel drijven binnen de stad, vee op de stadsgronden, de Mars en de stadsweide laten grazen en daarop turf steken.
Lees verder Dankzij strategische ligging kreeg Ommen in 1248 stadsrechten








