Vroeger maakten de boeren zelf boter en verkochten dat op de wekelijks botermarkt annex eiermarkt. De melk werd verwerkt tot boter met behulp van een handkarn of een rosmolen.

De fabriek in 1915.
Zie voor meer afbeeldingen het album “Hammerweg 25 (Zuivelfabriek)“.
Het vanuit de boerderij ontstane zuivelbereiding werd eind 1800 overgenomen door fabrieken. Een boterfabriekje was in Ommen al in 1897 ontstaan aan de Hammerweg, wanneer deze wordt opgericht door J.G. Kramer. Om de nodige kennis en ervaring op te doen ging hij wat rondneuzen bij de fabrieken in de omgeving. In Lemelerveld was een fabriekje van Kingma en in Dalfsen van Jansen. In Balkbrug was een andere Kingma in de zuivel bezig en in Hardenberg naar alle waarschijnlijkheid ook een Kingma die een zuivelfabriek exploiteerden. In de fabriek van Kramer werken behalve de eigenaar zelf, een machinist een melkontvanger en een botermaker. Botermaker was Albert Gort. Na het overlijden van J.G. Kramer in 1909 werd de fabriek beheerd door zijn broer, P. Kramer. De fabriek werd vervolgens verkocht aan A. Lubberdink uit Staphorst.
Oprichting
Aangemoedigd door de oprichting van andere coöperatieve fabrieken in den lande en voorgelicht door de lezingen van de rijkszuivelconsulent, komen de boeren in Ommen met het plan ook een coöperatieve fabriek op te richten. In 1910 wordt de fabriek van Lubberdink gekocht. Het is de eerste fabriek met een volledige en continue draaiende botermakerij. Zo werd in 1910 de eerste stap gezet voor een eigen fabriek.






