Tegenwoordig moet je er voor naar het museum, vroeger was het in het dagelijks leven gewoon te zien op straat, op de markt, in de kerk of bij bijzondere gebeurtenissen. Hoe de mensen in de achttiende- en negentiende eeuw in Salland gekleed waren.
Werkmutsje van katoenen broderie en staande achterkant met plooien, een gehaakte rand en nopjesrand aan de voorkant en een grote strik.
Zie ook het album “Klederdracht | Streekdracht”.
Zondags
Vrouwen droegen een knipmuts, die bestond uit een wit kapje van tule met geborduurde bloemmotieven. Er werd altijd een zwarte- of donkerblauwe ondermuts gedragen om te voorkomen dat de witte muts snel vuil werd. Om een muts te wassen moest deze uit elkaar gehaald worden, met de hand gewassen, dan gesteven met Crack Free rijststijfsel, gestreken en opnieuw in elkaar worden gezet. Een gebloemde knipmuts met een los vallende achterstrook werd meestal alleen op zondag gedragen. Gaat het om een knipmuts met grote gekantkloste bollen dan is sprake van hoe beter het bestaan; zijn de omstandigheden minder dan hoe kleiner ook de bollen. Rond 1880 was nog sprake van kleine bollen maar ze werden met de jaren groter. Wie moeite had om zelf het lint om de muts te krijgen deed een zogeheten lintentuigje over de knipmuts heen, zodat de muts goed bleef zitten.
Verder droegen de vrouwen een zwart jak met lange mouwen, aan de voorkant versierd met kant en plooien. Gecombineerd met een zwarte rok met daar overheen een zwarte zijden schort. Onder deze rok droeg men 3 à 4 onderrokken en zwarte schoenen. Naast de zondagse kleding bezat men het ‘daagse uitgaanskostuum’. Geen werkkleding maar kleding die men droeg als ze doordeweeks van huis gingen. Men droeg dan een muts, ook wel troelamuts genoemd. Een katoenen muts versierd met kant met aan de voorkant een geplooid bandje. Op doordeweekse visites zoals buurt- kraam- en Nieuwjaarsbezoek werd een eenvoudige zogeheten visitemuts gedragen, ook wel troela genoemd. De bol van broderie-stof en een breed geplooide achterstrook. Een dubbel geplooide voorkant van twee stroken op elkaar en een grote strik. Hier ging men mee op visite of naar de markt, maar werd niet gedragen naar de kerk. Verder droeg men een blauw/wit jak, die met een schootje over de rok werd gedragen. Hieronder zat ook een zwarte rok met aan de onderkant een stootrand, waar overheen een blauw/wit geblokte schort werd gedragen. Men liep op wit geschuurde klompen. Bij koud weer werd er een omslagdoek gedragen en als tas droeg men een rieten spoormandje. Wanneer de knoop van het knoopdoek, dat de hals van de vrouw bedekte, naar beneden hing, dan was de vrouw vrijgezel; stond de knoop rechtop dan werd daarmee aangegeven dat de vrouw getrouwd was. Lees verder Klederdracht ook in Ommen al lang voorbije mode (3)








