Op 25 augustus 1248 verleende de Utrechtse bisschop Otto III aan de inwoners van Ommen dezelfde vrijheid, die de inwoners van Deventer, Zwolle en Kampen tevoren van hem of zijn voorgangers ontvangen hadden.

25 augustus 2023. Viering 775 jaar stadsrechten. Burgemeester Vroomen ontvangt van Bisschop Otto de oorkonde.
Kopie
De in het archief berustende oorkonde, die voor deze stadsbrief moet doorgaan, doch in werkelijkheid een slechte zeventiende-eeuwse kopie is, vermeldt weliswaar het jaar 1208, doch van elders is bekend, dat 1248 inderdaad het juiste jaar van de uitvaardiging is. De stadsrechten zijn door latere bisschoppen herhaaldelijk bevestigd en uitgebreid.
Belangrijk militairpunt
De reden die de bisschop van Utrecht ertoe deed besluiten aan Ommen stadrecht te verlenen, zal waarschijnlijk gelegen hebben in het feit, dat de plaats voor hem een belangrijk militair punt was in de strijd tegen Coevorden én de Drentenaren. In 1248 zal Ommen dus al van zekere betekenis zijn geweest. Oorspronkelijk is Ommen een nederzetting nabij een doorwaadbare plaats in de Vecht die eerst als “Umme” wordt aangeduid. Wie de plattegrond van Ommen bestudeerd valt duidelijk de ronde vorm op van het stadje. Vrij nauwkeurig is na te gaan waar de oude stadswallen hebben gelegen en op welke plaatsen de Bruggepoort, de Varsenerpoort en de Arriërpoort hebben gestaan. Buiten Ommen liep de Hessenweg, een eeuwenoude handelsroute, die zijn naam heeft te danken aan de kooplieden uit de Duitse graafschap Hessen. Zij vervoerden met enorme wagens met daarvoor krachtige paarden hun waardevolle goederen door heel Europa. Vrijwel de enige bebouwing langs de Hessenwegweg bestond uit herbergen. Op Ommer grondgebied was De Hongerige Wolf de eerste herberg op de route. Eén van de oudste was herberg De Rooseboomshaar, die op stadsgronden in de Marke Arriën was gelegen. Verder kwam op het kruispunt van de Hessenweg en de weg naar de Ommerschans herberg De Bisschopshaar te staan. Richting Zwolle bevond zich in Varsen nog herberg Het Zwarte Paard.
Landrecht
De verlening van stadrechten aan Ommen bracht voor de magistraat de bevoegdheid mee, stedelijke verordeningen, de zogenaamde “Willekeuren” te maken. Het landrecht was oudtijds niet van toepassing op de kleine steden, uitgezonderd in die enkele gevallen, waarin het uitdrukkelijk toepasselijk was verklaard. In 1644 heeft men getracht hierin verandering te brengen; bij resolutie van Ridderschap en Steden van 26 maart 1644 werd besloten de kleine steden te verzoeken voortaan het landrecht toe te passen ter vermijding van vele onenigheden en geschillen over de administratie der justitie. Verschillende kleine steden hebben zich daartegen verzet, maar de stad Ommen heeft het landrecht— althans later — van toepassing verklaard, daar in de registers van contentieuze gerichtshandelingen herhaaldelijk recht werd gesproken “na landrecht en nadere reglementen”.
Lees verder Ommen, stadsrechten sinds 1248 →