Het stadhuis

Tot de weinige belangrijke gebouwen, die de stad Ommen voor enkele eeuwen terug rijk was, behoorde ongetwijfeld ook het Stad- of Raadhuis. Waar het eerste gebouw heeft gestaan, dat bestemd was om tot zetel te dienen van het stadsbestuur, is niet bekend.

map07-157.jpgafb. OudOmmen

Wel weten wij, dat een dergelijk huis reeds voor 1531 bekend was. Maar in het jaar 1522, toen de Zwollenaren en hun bondgenoot Karel van Gelre, Ommen verwoestten en in brand staken, waarbij het stadje geheel werd vernield, behalve de kerk en het Vrouwenhuis “de Heilige Geest”, werd het stadhuis ook een prooi der vlammen. Toen echter in 1528 de macht in dit gewest overging in handen van Keizer Karel V, en dus aan de macht van de Geldersen een einde kwam, schijnt ook in Ommen een zekere rust te zijn teruggekeerd en kregen de bestuurders gelegenheid de verwoeste gebouwen te herstellen. In 1531 werd ook het stadhuis wederom opgebouwd, en wel aan het Vrijthof.

Bij de plunderingen, die hier in 1568 door de Hertog van Alva en de Spaanse troepen plaatsvonden, werd het stadhuis, evenals de kerk gespaard. Toen kwam echter het rampjaar 1624, dat ook in de geschiedenis van Ommen met vurige letters staat aangetekend. Burgemeester Derk Meiners schrijft hiervan in het Keurboek, dat binnen een uur tijd door een geweldige brand het gehele stadje in de as werd gelegd. Ook het stadhuis werd door de vlammen verteerd, en opnieuw zat de Magistraat zonder officiële huisvesting. In hetzelfde jaar 1624 brak ook de oorlog uit tegen Frankrijk, Engeland, Munster en Keulen. Ook het platteland van Overijssel had vooral veel van de Munsterse troepen te verduren. Opnieuw kreeg Ommen een ruimschoots aandeel in de doortochten, inkwartieringen en brandschattingen van de vijandelijke troepen. Op deze oorlog volgde een tijd van grote financiële zorgen, waardoor de stad diep in de schulden geraakte. Aan herbouw van het stadhuis viel dus nog niet te denken en de stadsregering heeft zich, wat hare huisvesting betreft, steeds moeten behelpen. Pas in 1753 werd een nieuw stadhuis gebouwd aan het Vrijthof, op de grondslagen van het in 1531 gebouwde raadhuis. Het was een voor die tijd groot gebouw, waarin de Magistraat een behoorlijk onderkomen vond en dat van een torentje was voorzien. Dit stadhuis is als zodanig in gebruik geweest tot 1828. Het gebouw is enkele jaren geleden gesloopt.

Buiten de Vecht- of Voorbruggenpoort bevond zich in vroeger tijd een plein met bomen beplant, dat de naam Haghen droeg. Toen de stad op deze plaats de eerste brug over de Vecht legde, en voor het passeren van die brug een tol hief, had men behoefte aan een eenvoudig gebouw, bestemd voor de “bruggemeester”, de beambte die belast was met de tolinning. Tegelijk met het stadhuis werd in 1531 het “bruggemeestershuis” gesticht, waaraan in 1758 een “bruggekamer” werd toegevoegd. In 1827 werd dit gebouw echter weer afgebroken. Op dezelfde plaats verrees een nieuw stadhuis, waarvan de eerste steen in maart 1828 werd gelegd door de burgemeester Mr. W.A. van Laer, in tegenwoordigheid van alle leden van het stadsbestuur. In dit gebouw kreeg niet alleen de secretarie onderdak, maar ook was er gelegenheid tot het houden van het Kantongerecht, alsmede de Griffie daarvan. Ook was er een raadzaal aanwezig. Het noordelijk gedeelte van dit gebouw werd bestemd tot woning van de bruggemeester. Aan de marktzijde was verder de heren-sociëteit gehuisvest. Bij een bijzondere gelegenheid, zoals met de Ommerbissing, werden hier danspartijen gehouden, die tot vroeg in de morgen duurden. De bruggetol, die eertijds werd verpacht, werd in latere jaren door de stad zelve geïnd, waarmede de bewoner van het bruggehuis werd belast. Deze was tevens de houder van de stadsherberg. Tot 1919 heeft Z. Kampman deze functie bekleed. De stadsherberg geraakte toen echter al in verval. Wel werd in deze kamer met de Bissing nog een linnenmarkt gehouden.

Na 1919 werd de bruggetol nog enkele jaren verpacht, maar na de vereniging van de gemeenten Stad- en Ambt-Ommen geheel afgeschaft. De uitbreiding van de gemeentelijke diensten maakte het echter noodzakelijk dat het stadhuis in 1925 opnieuw geheel werd gerestaureerd en uitgebreid. De bruggemeesterswoning werd daartoe bij het stadhuis aangetrokken. Slechts 30 jaren was dit gebouw groot genoeg om al deze diensten te bevatten. In 1955 kreeg de architect Ir. Meijerink opdracht een nieuw stadhuis te ontwerpen. De zijvleugel wordt gevormd door het oude gebouw.

Een dichter zei daarvan:
“De ene vleugel is al old; Die sprekt tot eikeneen die ’t zucht: Het Ommer volk holdt ’t hoofd graag kold En wacht zich veur te grote vlucht.”

Het stadhuis is, al de jaren door, het centrale punt geweest, van waar uit de gemeente werd geregeerd en waar het stadsbestuur de voor de burgerij vaak zo belangrijke besluiten nam. Op het stadhuis ontving op 31 mei 1732 de Magistraat ook het petitionement van een groot deel der burgerij, waarin haar de gehoorzaamheid werd opgezegd. En op Pinkstermaandag van dat jaar moesten de heren zich met grote spoed naar het stadhuis begeven, waar het belangrijke besluit werd genomen niet aan de verlangens van de oproermakers tegemoet te komen en de goedwillende burgers op te roepen. Na een hevig gevecht in de straten bleven degenen, die trouw hadden beloofd aan de stadsregering gelukkig de baas. Op het stadhuis heeft Jan Friesendorp met de handen in het haar gezeten, toen hij moest trachten aan de zorgelijke toestand van de stadsfinanciën een einde te maken en daar zwoegen heden ten dage de opvolgers van Friesendorp nog aan de oplossing van het moeilijke vraagstuk, hoe de eindjes aan elkaar geknoopt moeten worden, d.w.z. hoe een sluitende begroting kan worden verkregen.

Op het stadhuis werd in 1809 het feestprogramma samengesteld voor de ontvangst van Z.M. Lodewijk Napoleon, en ook nu nog moeten daar regelmatig allerlei feestelijkheden en officiële ontvangsten worden verzorgd, waar de gemeente zoal mede te maken krijgt. Op het stadhuis zijn in 1762 de ordonnanties voor de nachtwacht en in 1725 de vuurheren-cedulle voor de brandweer vastgesteld en heden ten dage neemt op dezelfde plaats de burgemeester zijn maatregelen voor de openbare veiligheid. Op het stadhuis moesten de burgers vroeger het vuurstedegeld, patentrecht, hoorngeld, belasting op het geslacht en gemaal en hoe deze heffingen verder mochten heten, betalen en ook heden ten dage worden daar de diverse belastingen geïnd, zij het onder een meer moderne naam. In beide gevallen raakten de bewoners hun geld kwijt. Op het stadhuis werd in 1451 de stadswillekeur vastgesteld, en sedert dien heeft een stroom van maatregelen en verordeningen deze plaats verlaten. Zo zouden wij kunnen doorgaan en aantonen hoe de eeuwen door, het stadhuis de plaats is geweest waar het hart der gemeente heeft geklopt. Nog vele beslissingen en maatregelen zullen daar worden genomen, die alle ten doel hebben de belangen van de ingezetenen te bevorderen.

G. Steen

Bron: OudOmmen – uit het archief van Jan Lucas – Map07-157-161
Noot redactie OudOmmen: Datum oorspronkelijk schrijven / publiceren is onbekend

Plaats een reactie