Op diverse plaatsen in Ommen zijn sporen van vroege bewoning gevonden. De aanwezigheid van prehistorische bewoners is in Stegeren nog in het landschap zichtbaar in de vorm van tientallen grafheuvels.
Op de voorgrond het Tumuliveld “Calsum” in Hoogegraven.
Foto: Willem Bemboom
Deze grafheuvels dateren uit de late steentijd tot en met de ijzertijd. Ook zijn hier enkele grafcomplexen uit de Romeinse tijd gevonden. Het grootste terrein met minimaal 36 heuvels uit de ijzertijd staat in de volksmond bekend als Calsum, wat “dodenheem” betekent. Opmerkelijk genoeg zijn de oudste grafheuvels het grootst. Aanvankelijk werden de doden onder deze heuvels begraven (inhumaties). Later werden ze gecremeerd en in urnen bijgezet in grafvelden met veel kleinere heuveltjes en greppeltjes rondom, de zogenaamde urnenvelden. Het beeld is een beetje vertekend door plaggendekken. De grafheuvelgroep (tumuliveld) ligt op een van de vele zandlopervormige dekzandruggen langs het dal ven de Overijsselse Vecht (Stegerenseveld/Junner Koeland).
De heuvels behoren voor het grootste gedeelte tot de zgn. brandheuvels, welke dateren uit de late bronstijd. Zij bezitten geen kringgreppel; mobiele vondsten (artefacten) zijn praktisch niet aangetroffen. Het grafveld bestaat overwegend uit lage grafheuvels opgebouwd uit plaggen, die brandstapel- en crematieresten overdekken. In Duitsland komen ze ook voor de zgn. Scheiterhaufenhügel (brandstapelresten, in de vorm van grote hoeveelheden houtskool op het oude maaiveld). Hiertussen bevinden zich crematieresten. De grafheuvels vallen onder de Niederreinische Grabhügelkultur (late bronstijd/vroege ijzertijd).
De eerste grafheuvel in het Stegerenseveld is in 1929 opgegraven door F.C. Bursch van het Rijksmuseum van Oudheden (RMO) te Leiden (de eerste opgraving in Salland). Een jaar later onderzocht Prof. Dr. Van Giffen van het Biologisch-Archeologisch Instituut (BAI) te Groningen op nog geen kilometer afstand van de onderzoekslocatie van Bursch de grote grafheuvelgroep in het Stegerenseveld/ Junner Koeland. De gegevens van zijn opgraving zijn niet gepubliceerd. De plek wordt Hoogengraven – Calsum genoemd. Van Giffen had een contactpersoon in Ommen en dat was W. Veldsink, hoofd van de Christelijke landbouwschool. Veldsink was naast leraar een verwoed amateurarcheoloog. Lees verder Sporen van vroege bewoning in Ommen – Tumuliveld met brandheuvels in Hoogengraven (vroege bronstijd ca. 2000 – 1800 voor Chr.)
OMMEN – Door Oll Ommer en de Historische Kring Ommen (HKO) worden weer bustochten georganiseerd.



De naar Australië geëmigreerde Otto Broug heeft de hongertocht beschreven die hij en ongeveer 35 andere kinderen vanuit Rijswijk naar Overijssel maakten. Op 29 maart 1945 kregen ze in Nieuwleusen een bord pap waarvoor hij vandaag de dag nog steeds dankbaar is. De kinderen in leeftijd tussen 7 en 15 jaar kregen de havermoutpap, brood met boter en kaas en melk voorgeschoteld na een tocht van een week. Ze waren vanuit Rijswijk vertrokken, waar nog nauwelijks iets te eten was. Per schip waren ze naar Zwolle gereisd. In Nieuwleusen kwamen ze doodmoe en verhongert aan. Alleen voor de jongsten was er vanuit Zwolle een boerenwagen beschikbaar geweest, de oudste jongens hadden er de hele weg achteraan moeten gelopen. De kinderen waren op weg naar een nog onbekend gastgezin in Overijssel. Voor het vervolg van de tocht hadden de Nieuwleusenaren gezorgd voor een drietal boerenwagen zodat niemand naar de volgende halteplaats Balkbrug behoefde te lopen. De dank en waardering waren groot en zijn dat zelfs nu na bijna 70 jaar nog.


