Ondanks alle weelde en comfort in onze westerse landen, ziet men toch nog in alle steden bedelaars en daklozen, zelfs met het bestaan van O.C.M.W., Poverello, of andere hulpbiedende instanties. Zolang bedelaars de mensen niet lastig vallen maakt men het hen ook niet moeilijk.
Maar dit is in het verleden niet altijd zo geweest. In vorige eeuwen werd bedelarij hard aangepakt met wettelijke verboden, zonder dat er evenwel aan de oorzaken ervan iets gedaan werd. In de Oostenrijkse tijd (1713-1792) werd in dit verband in augustus 1749 een ordonnantie uitgevaardigd “regarderende de landloopers en ledighgangers“. De stedelijke overheid klaagde namelijk over
“het misbruyck bij hen, even schandalig en hinderend voor de goede burgers, dat veroorzaekt wordt door vele mensen die liever lui zijn dan werkende, en afkerig van ene eerlycke kostwinning, hun inkomen verwerven door te bedelen, niets anders doende dan dwalen in de straeten … bovendien de aalmoezen gebruikend om zich in talrycke slechte gelegendheden her en der te bedrinken aen graenjenever … Het excuus van deze luiaerds is steeds dat zy gene stiel kennen en gene mogelijkheid tot werken“
Zelfs door deze krasse taal uit 1755 van de begoeden uit de samenleving, was tien jaar later blijkbaar nog niets veranderd. Want hare Majesteit Maria-Theresia (1) gaf op 14 december 1765 opnieuw een ordonnantie uit “regarde vande bedelaers ende vaguebonden”. Het bleef dweilen met de kraan open.
Zo’n dertig jaar later werden onze gewesten dan overspoeld door de Franse Revolutie (1792 – 1814).
De instellingen van het Ancien Régime werden afgeschaft en de maatschappij werd totaal veranderd. Bij velen was er toen totale ontreddering. De bedelarij nam toen enorme proporties aan. Volgens een rapport van 27 december 1800 van prefect Doulcet de Pontécoulant waren er alleen al in het département van de Leie (West-Vlaanderen) méér dan 10.000 bedelaars en dit op een bevolking van circa 460.000 inwoners !
Men zou toen proberen door het oprichten van liefdadigheidsateliers werk te verschaffen aan bedelaars die nog bekwaam waren te werken. Zij zouden er opgeleid worden om te kunnen spinnen en weven. Maar tenslotte pak-ten ook de Fransen het probleem toch meest repressief aan. In heel het Franse rijk (waartoe ook onze streek behoorde) werden een 80-tal bedelaarsgestichten geopend. Een decreet van Napoleon uit 1808 bepaalde dat bedelaars in een gesticht zouden terechtkomen en landlopers moesten naar de gevangenis. Maar ook de Franse tijd ging voorbij zonder dat een serieuze oplossing gevonden werd voor de bedelarij.
Na de Slag van Waterloo (18 juni 1815) , met de ondergang van Napoleon, werden onze gewesten herenigd met Nederland (1815-1830). Maar ook nu werd de bedelarij verder bestreden. Willem, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden schreef in januari 1823:
“ … om ten ernstigste de hand te houden aan de uitvoering der bestaande verordeningen tot wering der bedelarij; om degenen, welke gevonden zullen worden strijdig met die verordeningen te behandelen, of aan de regtbanken over te leveren, of in de bedelaars werkhuizen te doen opnemen…”
Het optreden van de overheid had blijkbaar toch resultaat want het bedelaarswerkhuis van Brugge zat weldra overvol. In de eerste zes maanden van 1823 werden 89 bedelaars aangehouden. Toen werden in juli van dit jaar 130 personen uit Brugge overgebracht naar de kolonie “ Ommerschans “ in de gemeente Ommen – provincie Overijssel- in het noorden van Nederland.
Lees verder Een bedelaar – landloper uit Roksem →