Vroeger ging het vervoer bij gebrek aan goede landwegen over water.

Een vooroorlogse zomp.
Zompen
Vervoer over water was dan ook van grote economische betekenis. De Vecht en de Regge vormden een belangrijke handelsverbinding met het Duitse achterland en Twente. De schepen waarmee werd gevaren waren zompen, een platbodem, ideaal voor ondiepe wateren maar kwetsbaar voor kapseizen. Met een beetje wind al heel snel. De zijkanten liepen heel breed uit waardoor ze een groot laadruim hadden bij minimale diepgang. Staand op hun schip kwamen de schippers bomend vooruit. Waar mogelijk werd zeil gebruikt. Langs delen van de Vecht lag een goed jaagpad waarlangs de schippers hun zompen voorruit konden trekken. Maar er waren ook perioden dat een schip vast vroor en de schipper op de schaats naar huis moest.
Dunnewind
Belangrijkste overslagplaatsen voor de Vechtschippers waren Zwolle en Nordhorn. Op de Regge waren meerdere overslagplaatsen voor goederen uit Twente. Dat was deels afhankelijk van de waterstand. Als ’s zomers de waterstand op de Regge te laag was, werden de goederen bij Ommen (Dunnewind) overgeladen op wagens en verder naar Twente vervoerd. Tussen Nordhorn en Zwolle was een groot deel van de handel gericht op vervoer van Bentheimer en Gildehauser zandsteen. Uit Westfalen kwam verder rogge, bier, wol, linnen en linnen garens en de meststof potas. Uit Nederland kwamen peulvruchten, grutten, in de vastentijd vis en traan, Engels porselein, kaas, koffie, thee, tabak en andere koloniale waren. Als handelsstad bestond Zwolle al eeuwen bij de gratie van vervoer over water. Enter langs de Regge en Dalfsen en Zwolle waren de belangrijkste schipperswoonplaatsen.
Eten en slapen
Voor de zompschippers waren het barre tochten door vaak onmogelijke bochten. Varen waar geen water was, dammen aanleggen om het waterpeil te verhogen. Stromende regen. Hitte. Ondiepten. Obstakels. Zij waren de eersten die have en goed vervoerden in een tijd dat scheepvaart onmisbaar was. Er werd gevaren van zonsopgang tot zonsondergang. En na een lange dag van trekkern, duwen, bomen en graven was maar aan één ding behoefte aan eten en slapen. Van wonen op een schip was geen sprake, het was behelpen. Bedden of kooien op het schip waren er niet; een slaapplek werd geïmproviseerd met zeil, jutte zakken of een dikke jas.
Schippersherbergen
De schippers waren soms weken onderweg om Zwolle te bereiken, opnieuw te laden en terug te keren. Daar waar schippers moesten wachten, bijvoorbeeld op voldoende water nadat ze een dam hadden aangelegd ontstond een tweede nering. Wachtende schippers kregen daar tegen betaling een maaltijd en borrel aangeboden. Ook konden de schippers slapen op de hilde boven de koeien. In boerderijen ontstonden zo schippersherbergen als de Hessumsche schipper, Kemminckhorst, Dunnewind, ‘t Oeverdinck, De Goede Vrouw, ‘t Scheepken en Valkeman. Gedurende de negentiende eeuw nam het belang van de scheepvaart af.
Tegenwoordig varen replica zompen uit in het Duitse Laar, Gramsbergen, Hardenberg, Ommen en Dalfsen voor tochtjes met toeristen. Niet op de wind maar aangedreven door een elektromotortje.

De Ommer Vechtzomp anno 2023 met de naam ‘Hanzestad Ommen’.
Tekst: Harry Woertink – Foto’s: Oudheidkamer Enter/Harry Woertink