Publiek maakt kennis met Ommerschans: nog veel zichtbare sporen van het Kolonieverleden te zien

OMMERSCHANS – Met de bedoeling om de mensen in de wijde regio kennis te laten maken met de Ommerschans werd zaterdag een zogeheten publieksmorgen gehouden.

Gids Henk Hiemstra (midden) wijst de wandelaars op de sporen van de kolonieperiode.

Kolonie
Belangstellenden konden aan de hand van een gids meewandelen en luisteren naar de historie van het gebied. Daarbij kon gekozen worden uit een natuur-, een landbouw- of een historische wandeling.
De Ommerschans is een historische plek gelegen ten noorden van de gemeente Ommen. Ooit gebouwd als verdedigingswerk in de 17e eeuw, later een bedelaarskolonie. Wie de Ommerschans nu bezoekt belandt in twee werelden: een wonderlijk open landschap en het gesloten beboste gebied bij de oude schans. Er zijn nog veel zichtbare sporen van het Kolonieverleden.

Landbouw
Het was generaal Johannes van den Bosch die voor de Maatschappij van Weldadigheid in 1822 de verlaten verdedigingsschans nieuw leven gaf. Hij wilde armoedige gezinnen na de Franse overheersing helpen. Van den Bosch liet een gesticht bouwen voor 1000 tot 2000 bedelaars. Bedelarij was strafbaar in Nederland en Van Den Bosch sloot een contract met de overheid om deze gestrafte bedelaars op te vangen. Rondom de schans verschenen 21 grote boerderijen waarop kolonisten te werk gesteld werden.
Melkveehouder Henk Hiemstra (71) geboren en getogen in de Ommerschans neemt via het uitgezette “Landbouwpad” de deelnemers mee buiten de ring van de schans. Het Landbouwpad voert langs de oude landbouwgronden van de voormalige kolonie. Je wandelt door verschillende landschappen: van open velden tot bosrijke gebieden.

Boekweit
“Het gebied is door de eeuwen heen is gevormd. De sporen van de kolonieperiode zijn nog steeds zichtbaar”, legt Hiemstra uit. “Kenmerkend voor de kolonie van Weldadigheid is de planmatige, rechthoekige verkaveling van de van oorsprong veenachtige moerasgronden. Generaal van den Bosch vormde het landschap en het landschap vormde de mensen”, aldus Hiemstra. “In de beginperiode werd en boekweit verbouwd om het land klaar te maken voor landbouw, zodat er later ook andere gewassen als aardappelen, rogge en groenten konden groeien. Daarnaast was boekweit vroeger dagelijkse kost in de kolonie. Van de zaadjes werd meel gemaakt voor pap, pannenkoeken of grutten”.

Zwaar werk
Kolonisten kregen dagelijks één karige warme maaltijd voorgeschoteld. De overige maaltijden moesten ze zelf verdienen. Voor het zware werk kregen ze wekelijks stukloon uitbetaald. Het maximum weekloon werd in de beginjaren vastgesteld op 1 gulden en 27 cent. Hiervan werd 91 cent ingehouden als kostgeld voor de dagelijkse warme maaltijd, kleding en huisvesting. De resterende 36 cent werd uitbetaald in de vorm van koloniemunten of winkelkaarten, die echter alleen in de koloniewinkel besteed kon worden.
‘Wie niet werkt, zal niet eten’, was in de begin jaren uitgangspunt van de straf- en bedelaarskolonie. Het werk op het land was loodzwaar, de verdiensten minimaal, het rantsoen gebrekkig en de medische voorzieningen allerbelabberdst. Lokale overheden stuurden massaal hun burgers die niet in staat waren om te werken en feitelijk arbeidsongeschikt waren naar de straf- en bedelaarskolonie. De bedelaarskolonie Ommerschans werd op die manier een vergaarbak van mensen die in de gewone maatschappij niet mee konden komen. De begraafplaats is een blijvende en nog zichtbare herinnering aan het harde leven van de kolonisten. In 1890 werd de bedelaarskolonie opgeheven.

Tekst/foto: Harry Woertink

Plaats een reactie