HKO reeks: Van de archivaris (december 2006)

Op onze wandeling langs de Overijselsche Vecht beschreven door L. Nooter in 1906, waren we gebleven bij de buitenplaats Eerde. Hij beschrijft er de natuur en vermeld dat de boschrijkheid hier in de loop der tijden is verminderd.

logohko.GIF

In dien boschgordel heeft de landbouw hier en daar openingen gemaakt, maar zich in den omtrek der adelijke huizingen niet gewaagd. Is het een wonder, dat hier in den ouden tijd tot zelfs de kasteelen in hoofdzaak van hout waren opgetrokken? En juist daardoor vaak sterker bleken dan steenen bouwwerken? Omtrent Eerde, vroeger Irte geheeten, bestaan hierover bijzondere berichten. Het werd in 1380 door bisschop Florens van Wevelikhoven met hulp van Deventer en Zwolle belegerd en Beka verhaalt: ‘Hij (de bisschop) dede dair voir oprechten ene groote blide, die wel XIII hondert pont weghens worp, ende groote steenbussen, daermen daghelix mede schoot, ende stormden met allen dat men scieten of werpen mochte, ende scaden den houten huse niet, want die stenen steyten daer weder of, oft ballen geweest hadden, want die stilen ende balken waren so als molenstanders ende stonden bij dichte, die een bij den anderen, mer dat steenen worpen sij alle te stucken.”Na de overgave bij verdrag, werd het kasteel in brand gestoken en brandde……een maand lang.

Hierna neemt de wandelaar afscheid van het land der kasteelen en gaat hij naar de Besthemerberg, om vandaar een overzicht te nemen van het land dat hem wacht. Hij vervolgt: toen me door een paar vriendelijke boertjes werd aangeboden, op hun kar zonder veeren mee te rijden naar den voet der hoogte, werd dat aanbod dankbaar aanvaard. Het vooruitzicht van te reizen volgens landsgewoonte was te verleidelijk en de tocht viel mee. Niet in den beginne op den harden Mac-adamweg, wel verderop in ’t mulle zand. Stooten doet zo’n wagen daar niet, schommelen wel, maar dat zou z’n collega op veeren nog erger doen. Mijn respect voor bolderwagens is in elk geval gerezen. Boven op de berg staande beschrijft hij vervolgens wat hij ziet: een donkere dennenzee, strooken bouwland en de Besthemer zandverstuivingen en de hooge wal in ’t zuidwesten, de Lemelerberg, de reus onder de bergen in Overijschel. Verder wandelen geeft bezwaren. De weg benoorden de Vecht door het Hardenbergerveld is erg eentonig. En bezuiden de rivier vindt men enkel zandwegen, die groot gevaar van verdwalen opleveren.

De N.O.L. moet nu te hulp komen. Eigenaardig land wacht ons daar langs de lijnrechte spoorbaan. Buiten Ommen wordt het bouwland achtergelaten en glijden we voort door een oceaan van dennen. Het ene bosch volgt het andere op. Dan weer dennen, dennen, station Junne. Weer verder zien we opnieuw dennen, onderbroken door een zandverstuiving, dennen, zandverstuiving, halte Beerse. Over meer dan een uur afstands zagen wij buiten het station Junne geen enkele menselijke woning en niets dat op bewoning wijst.Woest land. Voorbij Beerse verandert het tafereel. De bosschen maken plaats voor heidevelden en er komt weer wat leven; een kudde schapen, in de verte een boerenwoning, op den achtergrond den mast van een schip ( kanaal Almelo-Coevorden) De heide met haar zandige, maar meest veenachtigen ondergrond wordt hier en daar afgegraven en dit veen dient als grondstof voor de turfstrooiselfabriek te Bergentheim. Rechts komen nu de blauwachtige heuvelen van ’t Bentheimsche in ’t gezicht en we komen in een bewoonde streek, we zijn te Hardenberg, op dit moment nog ’t eindpunt van de N.O.L. in deze buurt. Slot volgt.

Ik wens alle lezers völle heil en zeeg’n in ’t ni’je joar.
Gerrit Volkerink

Bron: HKO97.nl


Webredactie OudOmmen.nl: Eerder verschenen afleveringen uit de reeks “Van de archivaris”:

Plaats een reactie