Uit de historie van ommen – Stadsfinanciën veroorzaakten oproer

Met de financiën van de gemeente Ommen zag het er vroeger allesbehalve rooskleurig uit. Door oorlogskosten heffingen en inkwartieringen, was de stad zó diep in de schulden geraakt, dat zij in 1680 aan de Staten van het gewast moest verzoeken om kwijtschelding van de achterstand, die werd verleend onder voorwaarde, dat binnen een jaar een derde afbetaald zou worden.

map12-20007-b.jpgIn 1694 besloot men tot aanstelling van een stadsontvanger over te gaan en benoemde men de secretaris Jurrien Derk van Ommen, hopende hierdoor verbetering te krijgen in de financien, omdat onwillige belastingbetalers nu beter vervolgd konden worden. Al deze pogingen mochten echter niet baten, want in 1708 moest men zelfs overgaan tot de verkoop van alle stadsgoederen om de schulden te kunnen afbetalen. De credietwaardigheid was zo gering, dat de keurmeester in 1711 nog geen kan wijn op rekening kon krijgen en secretetaris Friesendorp de gemaakte vertering uit eigen zak moest betalen. Deze Friesendorp, die aanzien genoot, werd in 1713 tot stadsontvanger benoemd. Hem gelukte het inderdaad, de financien weer in evenwicht te brengen en het crediet te herstellen. Dat de middelen die hij hiervoor aanwendde, niet altijd even prettig waren, blijkt uit de klacht van een aantal keuterboeren bij de drost van Salland, waarin zij beweerden des Zondags, wanneer zij uit de kerk huiswaarts keerden, door de stadsburgemeester te worden aangerand, ja, dat deze hun de pijen uittrok en alzo naakt lieten lopen om hen zodoende te dwingen meer bruggerogge aan de stad te voldoen. De jaarlijkse belasting-aanslagen en de stadsrekening gaven in 1732 aanleiding tot een oproer. Een deel van de bevolking verlangde inzage van de uitzettingscedellen en wilde tegenwoordig zijn bij het uitbrengen van de stadsrekening. Op zekere dag trokken ganse rotten, gewapend met geweren en grepen, met vliegende vaandels, door de stad, allerlei bedreigingen uitende. Om verdere wanorde te voorkomen, besloten de burgemeesteren de onruststokers op enkele punten tegemoet te komen, maar zonder resultaat.

Op Pinkstermaandag d.o.v. kwam het tot geweld. De burgemeesteren riepen hun getrouwen op en besloten de oproerkraaiers uiteen te drijven. Een hevige vechtpartij met messen, stokken en ook met de vuist was het gevolg. Enige tijd was het onzeker, wie als overwinnaar uit het strijdperk zou treden, doch Jan Hendrik Smit, Gerrit Hofmeijer, Albert van Elburg, Albert v. d. Vegt en nog enige trouwe aanhangers van het gemeentebestuur, gooiden er nog een schepje op, zodat de muiters bebloed en gewond, met blauwe ogen en gaten in het hoofd uit elkaar stoven. Gelukkig werd niemand in dit gevecht gedood. De voornaamste belhamels kregen een zware geldboete en werden uitgesloten om een overheidsbetrekking te bekleden. De stadsfinanciën werden tenslotte verbeterd. De belastingen kwamen beter binnen en konden zelfs verhoogd worden. Er kwam nu zoveel geld binnen, dat binnen tien jaren meer dan de helft van de schuld afgelost kon worden.

Bron: krantenknipsel uit het archief van Jan Lucas – map 12 – 28 mei 1948

Plaats een reactie