Hessel Mulert naamgever brug over de Vecht in Ommen (2)

De eerste brug die de beide Vechtoevers in Ommen met elkaar verbond, droeg het jaartal 1492 en werd gelegd door een van de leden uit het geslacht, dat steeds nauw met het stadje verbonden is geweest: Hessel baron Mulert.

 De Vechtbrug in 1936.
Afb.: Harry Woertink
Zie voor meer afbeeldingen de albums “Vechtbrug – Voorbrug”, “Vechtbrug – Stad(huis)” en “Opening Pr. Julianastraat 1937”.

Nadien werden er nog vier bruggen over de Vecht gebouwd: in 1689, in 1868, in 1937 en de huidige brug in 1970. De laatste twee bruggen kregen de naam Hessel Mulertbrug.

Wat waren ze blij in Ommen toen in 1937 een einde kwam aan het gedaver van boerenwagens en auto’s over de oude ijzeren brug over de Vecht. De komst van een grote nieuwe betonnen brug met eveneens een nieuwe weg aan de oostkant van Ommen zorgde voor minder lawaai en een veel betere en snellere verbinding tussen de zuid- en noordkant van Ommen. Gadegeslagen door veel Ommenaren en muzikaal ondersteund door de muzikanten van Crescendo werd de brug en nieuwe weg officieel opengesteld op 29 september 1937.

Bruggetol
De rijke edelman Hessel Mulert, die tussen 1456 en 1466 schout van Hasselt was, kreeg de opbrengst van de tol van de eerste brug tot het moment dat deze door de stad met 200 Rijnsguldens zou worden afgekocht. In 1497 overleed Hessel Mulert. De stad kreeg daarna toestemming van de Bisschop van Utrecht om iedereen die de brug wilde passeren tol te laten betalen. De stad moest aan de Bisschop hiervoor elf heerenponden per jaar betalen. De betaling van de tol geschiedde meestal in natura. De zogeheten bruggerogge. De bruggemeester/tolgaarder zorgde voor het innen van de tol en moest tevens “de brugge met den bessem schone maken en klaar houden”. De inwoners van de stad waren vrijgesteld van de tolheffing. De boeren buiten Ommen moesten naar draagkracht betalen, afhankelijk van het aantal paarden dat men bezat. Een “volle boer” met meer dan twee paarden betaalde een schepel klare rogge. Een “halve boer” met één of twee paarden betaalde een halve schepel en keuterboeren zonder paard zeven stuivers. Voor de boeren vormde de vereiste levering van “klare rogge” geen enkel beletsel om het slechtste deel van hun oogst af te staan. Na de Bisschoppelijke macht kwam de pacht rechtstreek in kas van de stad. Het mogen heffen van de Bruggetol werd om de zes jaar door de stad in het openbaar aan de meestbiedende verpacht aan derden. Een advertentie in de Overijsselsche Courant uit 1827 roept belangstellenden op hiervoor in te schrijven. Het gemeentebestuur maakt melding dat in de pacht tevens begrepen is de vrije bewoning van het Bruggenhuis, die in dat jaar zal worden ingericht als herberg. Bovendien laat het stadsbestuur weten dat naast het Bruggenhuis een tot Rechthuis dienden Stadhuis gebouwd gaat worden: “Het Gemeentebestuur der Stad Ommen zal onder nadere approbatie van H. E. G. A. Heeren Gedeputeerde Staten, van Overijssel op Vrijdag 3 november 1827, des morgens ten tien uren, ten Raadhuize ter Stede Ommen, in het openbaar, voor den tijd van zes Jaren, Verpachten: De Tol der Vechtbrug te Ommen. Zijnde onder de Pacht tevens begrepen de vrije bewoning van het aan de Vecht gelegen Bruggenhuis, hetwelk, volgens reeds gedane Aanbesteding, voor den eerste Juni aanstaande, tot eene groote en zeer geschikte Herberg, zal worden ingerigt, te belangrijker door het daar naast te plaatsen tot Regthuis dienende Stadhuis”, aldus de advertentie van het stadsbestuur. Bij de samenvoeging van de gemeenten Stad-Ommen en Ambt-Ommen in 1923 kwam een einde aan de tolheffing.

Schade aan bruggen
De constructie van de eerste houtenbrug over de Vecht was niet stevig, zo bleek na een zware ijsgang. De brug dreef bijna geheel weg. In 1572 bleven slechts drie palen van de brug overeind. De armoedige toestand van de stad noodzaakte dat naar geldschieters uitgezien moest worden om de schade aan de brug te kunnen herstellen. Er werd hulp ingeroepen van naburige jonkers en kloosters. Zij kwamen het stadsbestuur tegemoet met deels geld en deels hout. De stad zelf kon 200 gulden uit de stadskas er aan bijvoegen. Zodoende kon de brug weer hersteld worden. In 1599 werd opnieuw de brug beschadigd door zware ijsgang in de Vecht. Ook in januari 1657 was het hoge water en ijs oorzaak van zware vernielingen aan de brug. Voor herstelling van de schade in 1684 moest de stad geld lenen. Toen in 1689 wederom 30 brugpalen waren weggespoeld, moest er een nieuwe brug gebouwd worden. Deze was van beter dan de eerste brug en houdt het vol tot 1868 als er een nieuwe ijzeren ophaalbrug op dezelfde plek wordt aangelegd. De plaatselijke notaris mag voor de stad de restanten van de oude brug verkopen: In een krantenadvertentie als volgt omschreven: “Op 7 september 1869 verkoopt notaris Mulert in Ommen publiek de restanten van de brug. De geheele Afbraak der oude brug en die der nieuwe noodbrug over de Vecht, bestaande in een aantal perceelen Eiken en Vuren Balken, Palen, Planken en IJzerwerk; voorts een nieuwen tonwatermolen en nieuwen takel en blokken”.

Stadhuis en Stadsherberg
Het gemeentebestuur houdt zich aan de toezegging die ze in de advertentie deed, want in maart 1828 wordt door burgemeester Mr. W.A. van Laer de eerst steen gelegd van een nieuw te bouwen stadhuis aan de Vechtoever. Deze ‘eerste’ steen is nog steeds zichtbaar in de muur naast de ingang van het tegenwoordig daar gevestigde Tinnenfigurenmuseum. In het nieuw gebouwde raadhuis is een genoeglijke combinatie ondergebracht van kantongerecht, griffie, woning van de bruggemeester, tevens tolgaarder van de bruggetol, een herensociëteit en stadsherberg. Het gebouw kent twee zalen: één bestemd als kantongerecht en één raadszaal die gebruikt wordt voor de vergaderingen van de gemeenten Stad- en Ambt Ommen. In de herensociëteit houden vooraanstaande Ommenaren hun bijeenkomsten.

Bij verbouw in 1925 van het gemeentehuis kwam een einde aan de stadsherberg en de brugwachterswoning. Beiden worden bij het gemeentehuis gevoegd. Door uitbreiding van gemeentelijke taken werd het noodzakelijk om het gemeentehuis te verbouwen en verder uit te breiden. In de vijftiger jaren van de vorige eeuw worden de huizen aan de westkant van het gemeentehuis gesloopt. De oostelijke vleugel van het gemeentehuis blijft grotendeels in tact. Door architect H. Meijerink wordt het oude raadhuis ingepast in de nieuwbouw. De vorm van de bebouwing aan de Markt en de ligging van het gebouw zijn van grote invloed geweest op de indeling en vormgeving. Op 31 mei 1956 wordt de verbouwde gemeentehuis aan de Markt 1 officieel in gebruik genomen. Na zo’n 35 jaar na de uitbreiding is het gemeentehuis opnieuw te klein. Daarom verrijst aan de noordkant van Ommen een geheel nieuw gemeentehuis. Deze onder architectuur van J. Risseeuw gebouwd gemeentehuis aan de Chevalleraustraat 2 kon op 11 november 1982 officieel worden geopend.

In deel 3 meer over de geschiedenis van de bruggen in Ommen, zie ook deel 1.

Bron: Harry Woertink – 2 januari 2016

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s